Geschiedenis van de veenkoloniën.

In het Veenkoloniaal museum is de geschiedenis verteld van het veen, met name in de provincies Groningen en Drente, alsmede de zeevaart in Groningen. (Turfvaart o.a.)

Het zijn de Friezen geweest die met het ontginnen van het veen zijn begonnen.

Zij hebben de aanzet gegeven voor de provincies Groningen en Drente.De Groningers waren veel meer geordend bezig dan de Drentenaren. Zij waren daardoor kapitaal krachtiger dan de Drentenaren. In Veendam werden in de 19e eeuw (vanaf 1800) veel binnen schepen en zeeschepen op de werven gebouwd. Dit  was nadat door de vervening (rond 1600) in de provincies Groningen de turfvaart ontstond. Een zeeschip had een laadvermogen van 150-ton.

Op het buitenland voeren veel kogschepen en schoeners. Deze schepen moesten in de haven van Delfzijl liggen, omdat de masten niet konden worden gestreken om naar Veendam te varen, Zeetjalken kunnen dit wel. De geschiedenis leert ons dat de scheepsbouw de Groningers geen windeieren heeft gelegd.Veendam en Nw Pekela waren door de kanalen economisch nauw aan elkaar verbonden. Dit blijkt ook uit de scheepsbouw en het onderwijs in de scheepvaart. Het aantal kapiteins dat op zeeschepen voer was in Veendam 210 en in Nw Pekela 163. Samen hadden de veenkoloniën 684 zeeschepen in de vaart en 398 rederijen.

In Nw Pekela staat nog als museumstuk een kapiteinshuis. Uit onderzoek is vast komen te staan dat aan de contracten duidelijk is te zien dat Veendammers en Nw Pekelaren rijk waren aan goederen en geld dus welgestelde mensen. In 1860 kelderde de turfprijs. In Groningen bleef de welvaart door de scheepsbouw en scheepvaart maar in Drente kwam de armoede daar trof men in die tijd plaggenhutten aan. Enkele vooraanstaande families in Groningen en Drente hadden aandelen gekocht in de bouw van zeeschepen, ook landbouwers deden dat.

 

Veen.

Veen is de in de bodem en vegetatiekunde gebruikelijke benaming voor een sponzige, met water verzadigde bodem, die uit een dikke laag afgestorven, maar niet volledig verteerde planten resten bestaat. Boven de grondwaterspiegel noemt men het Hoogveen en onder de grondwaterspiegel noemt men het Laagveen. Beide hebben hun eigen vegetatie; een specifieke veenfauna bestaat niet.

 

Veengronden.

Veengronden vind men voornamelijk in gebieden die gedurende het Pleitoceen (2,5 miljoen tot 10.000 jaar geleden) door ijs bedekt zijn geweest, waardoor de bodem hoogte verschillen vertoont. Hiertoe behoren grote delen van de toendra-en naaldwoudgordel in het noorden van Canada, Noord-Europa en Rusland.

 

Veenkoloniale streek.

De veenkoloniale streek is een Noordnederlandse streek die omsloten wordt door de Drentse Hondsrug, de zandopduikingen van het Groningse Westerwolde en het Schoonebeker diep.

Het was een woest veenmoeras gebied, dat rond 1600 in de belangstelling kwam van de stad Groningen en Hollandse steden vanwege zijn enorme voorraden van de brandstof turf.

Na het georganiseerd afgraven bleven de dalgronden over, die geschikt waren voor de akkerbouw, op basis waarvan zich in de 19e Eeuw agro industrieën ontwikkelden.

 

Met Veenkoloniale streek bedoelt men het Noordnederlandse gebied dat wordt begrenst door de Drentse Hondsrug in het westen, het Schoonebeker diep in het zuiden, de Duitse grens in het oosten en de Groningse regio’s Reiderland, Oldambt en Duurswold in het noorden. De streek dankt haar naam aan het georganiseerd vervenen van hoogveen, enerzijds voor de winning van de brandstof turf, anderzijds voor het doen ontstaan van voor de landbouw geschikte dalgronden. (zandgronden vermengt met de bovenste veenlaag, de bolster)

De venen waren een woest niemandsland, dat grensde aan hoger gelegen en vroeg bewoonde zandstreken, waar al vroeg incidentele vervening voor brandstof plaatsvond, onder meer door kloosters. De eerste echte veenkolonie was Kropswolde waar vanaf de 15e Eeuw turf gegraven werd voor de stad Groningen maar de groeiende brandstof behoefte van de Stad en Hollandse steden (voor het bakken van bouwstenen, voor verwarming en het brouwen van bier) wakkerde rond 1600 de Groningse interesse voor het veengebied ten zuidoosten van de stad aan. Door de Groningse politiek de Ommelanden aan zich te binden kon de stad al sinds de 15e Eeuw, via heerlijke rechten over Oldambt, aanspraken maken op een deel van de venen, maar een definitieve regeling kwam pas tot stand na het vrij willekeurig vaststellen in 1615 van de provinciegrens met Drenthe, de z.g.n. Semslinie tussen de Martinitoren en het kasteel Ter Haar bij Ter-Apel, en na het vervenen van de heerlijke rechten over Westerwolde in 1619. Het vervenen zelf liet Groningen over aan particuliere ondernemingen, compagnieën, maar de afvoer van de turf moest via de stad geschieden, zodat tol en sluisgelden geheven konden worden. Daartoe werd in 1612 begonnen met het graven van het Winschoterdiep, van waaraf de verveners via zijkanalen en oude veenstroompjes (Pekel A, Mussel A) verder het veen introkken. Reeds rond het midden van de 17e Eeuw waren de Groninger venen volledig in exploitatie en waren de eerste veenkoloniale nederzettingen (als oudste Sappermeer 1621) ontstaan. Oorzaak hiervan was een bijzondere bepaling in de verveningconcessies , n.l dat de bovenste veenlaag vermengd moest worden met de overgebleven zandgrond, zodat zich met behulp van Groningse stadscompost landbouw zou kunnen ontwikkelen en Groningen ook ná de afgraving van inkomsten uit het gebied verzekerd kon zijn. De grootscheepse ontginning van het Drentse deel van het Oostermoer moest wachten tot de aanleg van Het Stadskanaal (1761-1856), vlak langs de Gronings-Drentse grens, doordat de Hunze niet voldoende bevaarbaar was voor turfschepen. Vanaf Het Stadskanaal werd het gebied van Markevenen van de Hondsrugdorpen ontsloten door het graven van de z.g.n. Monden en in exploitatie genomen. Stadscompost was toen echter niet meer toereikend voor de bemesting van de akkers, zodat daar de boerenbedrijven van begin af aan vee moesten  houden om in hun mestbehoefte te voorzien. De ontginning van de Zuidveldse Venen begon in de 19e Eeuw. Dankzij de uitvinding van kunstmest konden de landbouwbedrijven zich hier echter vanaf het begin op de akkerbouw instellen. Door het wegvallen van de behoefte aan turf als brandstof zijn in Zuidoost Drenthe belangrijke veencomplexen (Amsterdamseveld) bewaard gebleven. Aan de basis van de welvaart die de veengraverij aan enkelen in het noordoosten van Nederland bracht stond een legertje veenarbeiders dat constant werd aangevuld met lieden

van allerlei allooi en uit alle windstreken.

Levend in rauwe mannengemeenschappen onder pioniers omstandigheden, woonden zij tot in de 20e Eeuw in ongezonde plaggenhutten, woekerrenten betalend over de schulden die zij tijdens de winter werkloosheid maakten, en ’s zomers werken van zonsopgang tot zonsondergang. Zij werden uitgebuit door betalingen in natura, die zij tegen lagere prijzen weer moesten verkopen om geld in handen te krijgen, terwijl de veenbaas in zijn winkel (met verplichte winkelnering) woekerprijzen berekende. Slechts enkelen konden ontsnappen door zich als keuterboer te vestigen, maar de overigen trokken weer mee als nieuwe gebieden in exploitatie genomen werden. In hun kommervol bestaan bracht Gods Woord weinig verlichting, zodat de veenkoloniën al vroeg gekenmerkt werden door een hoog percentage onkerkelijkheid, terwijl met het socialisme en het communisme in ieder geval een gemeenschappelijke vuist gebald kon worden.

 

 

Industriële ontwikkeling.

Op basis van de turftransporten ontstonden langs de Groningse kanalen al in de 17e Eeuw scheepsbouw en scheepsreparatie. In de eerste helft van de 19e Eeuw bouwde men zelfs logge, maar stabiele en zeewaardige schepen voor turftransporten tot aan St Petersburg. Maar daarna ging het bergafwaarts door de komst van grotere ijzeren stoomschepen en pas ná de Eerste Wereldoorlog bloeiden de Groningse scheepsbouw en scheepvaart weer op door de ontwikkeling van de kustvaarder (Coaster) een schip dat over zee de binnenhavens kon bereiken daardoor overslag van de lading overbodig maakte. Rond de scheepsbouw en de landbouwwerktuigen heeft zich in de Veenkoloniale streek een tamelijk omvangrijke metaalindustrie ontwikkeld, die nog werd versterkt door de opkomst van landbouwindustrieën waartoe W.A. Scholten (1819-1892) de aanzet gaf. Op basis van schoon water, aardappelen als grondstof en turf als brandstof startte hij in 1841 een aardappelmeelfabriekje in Foxhol voor de bereiding van moutwijn. Zijn voorbeeld deed velen volgen, maar de monopoliepositie die de fabriekanten wisten op te bouwen werd doorbroken doordat boeren op coöperatieve basis hun aardappelen zelf tot zetmeel gingen verwerken, zodat particulieren moesten overschakelen op de productie van aardappelmeelderivaten. De volgende agro-industrie was de strokartonfabricage die zich vanaf 1870 voor schoon water aan de rand van het veen vestigde, maar het stro uit Oldambt betrok, totdat na de introductie van de kunstmest ook de veenkoloniën granen konden verbouwen en stro konden gaan leveren. Na de tweede wereldoorlog kwam de traditioneel problematische werkgelegenheid in de veenkoloniale streek wederom in een crisis situatie, doordat de landbouw op grote schaal mechaniseerde en arbeiders afstootte, de aardappelteelt bedreigd werd door ziekten (aardappelmoeheid), de stroproductie verminderde door de teelt van nieuwe korthalmige graangewassen, terwijl voor de scheepsbouw de kanalen en sluizen al snel te klein werden om de steeds groter wordende schepen door te laten. Compensatie werd enigszins gevonden in de vestiging (vooral in Emmen) van dochterbedrijven van grote ondernemingen elders in Nederland, die konden profiteren van een ruime arbeidsmarkt met industriële ervaring. Maar van de scheepsbouw is nog weinig over langs het Winschoterdiep en de aardappelmeel - en strokartonindustrie zijn gesaneerd en geconcentreerd in enkele bedrijven, die na de invoering van de wet op Verontreiniging Oppervlaktewateren (1970) nog de financiële consequenties moeten dragen van zuivering van hun afval water en de aanleg van een vuilwaterpersleiding (smeerpijp) naar de Dollard. De Veenkoloniale streek zal dan weliswaar bevrijd zijn van haar stinkende kanalen, maar de werkgelegenheid zal wederom bedreigd worden of daar compensatie werk tegen over gesteld wordt zal de tijd leren doch de mensen uit de Veenkoloniale streek hebben daar geen goed gevoel over omdat veel bedrijven met subsidie gelden daar gesticht zijn en reeds na een aantal jaren de deuren weer hebben gesloten of gesaneerd naar  kleiner.

 

Turfwinning.

Dit was seizoen arbeid, hooguit tot half juli eerst het Hoogveen ontdoen van de bovenste laag de z.g.n. Bolster deze werd zover afgegraven dat de turfstekers aan de slag konden het was wat lossere turf die niet zoveel hitte gaf bij het stoken.

 

Veenwerkers bij de Persmachiene.

 

Als die laag eraf was dan kwamen de Pers en Bagger machines daarin werd met een Jacobs ladder de Laagveenturf omhoog getransporteerd werd vermalen vermengd met water en op plankjes gespoten die vervolgens via twee kabels over de lengte van het veld getransporteerd werden en door mankracht op diverse plekken eraf gehaald en op zijn kant gezet, zonder plankjes, om te drogen. Daarna moesten de turven op bultjes worden gezet het z.g.n.stoeken.

Het op stoeken gezette persturf.

 

En weer daarna werden ze op grote bulten gezet waarop de regen geen invloed meer had langs het kanaal in afwachting van transport naar de klanten via pramen. Het baggeren gebeurde met dezelfde soort machine maar dan was het veen veel natter gemaakt en werd het met een lange slurf over het veld gespoten die omgeven was met opstaande schotten zodat het niet weg kon lopen.Men liet het tot half zacht drogen en ging dan met plankjes onder de klompen het veen inklinken door het lichaams gewicht het z.g.n. Trippen. Direct daarna moest het veen worden gestoken met een lange steel waarop een geslepen scherp zwaard zat van zo’n 45-cm lengte, weer daarna werd het veen, op de sneden, handmatig gebroken en legde men het voor het laatste te drogen ook die werden op grote bulten (hopen) gelegd langs het kanaal voor vervoer per praam. (schip)

Het handmatig breken van de hoogveenturven.

 

 

Omdat onze voorvaderen uit het navolgende gebied kwamen is het volgende vermelden waard.

 

De veenbrand in het jaar 1880 en 1918.

Op het hoogveen werd veenboekweit verbouwd in het voorjaar voor consumptie. Nadat geoogst was liet men de velden liggen tot de winter, bij droog en vorstig weer werden de velden losgehakt d.m.v. een houten veenploeg en er werden greppels gegraven voor afwatering. Was de bodem goed droog dan werden de te verbouwen velden met een soort vuurkorf in brand gestoken. Weldra zag men hier en daar donkere rookpuimen opstijgen. Geheel Emmer Compascuum, Nw Weerdinge Valthermond enz, ja geheel Oost Drente, was een en al rook. De zon werd er door verduisterd en door de wind voortgedreven werd de veenrook zelfs op verre afstand waargenomen, overal overlast veroorzakend. Was de bovenste laag geheel tot as verbrand, dan doofde het vuur vanzelf. De verbranding leverde meststoffen op voor de verbouw van veenboekweit. Dit was dus pure roofbouw. In het mengsel van as en turf werd zo spoedig mogelijk het zaad gezaaid. Wie na 6-weken deze gebieden bezocht, zou aangenaam getroffen worden door de talloze witte bloempjes van het bloeiende boekweit.

In het jaar 1880 gebeurde dat niet, op 27 mei werd de rustige wind, toen men begon, met het in brand steken, binnen een paar dagen aangewakkerd tot orkaankracht met als gevolg dat er geen houden en blussen meer aan was Op sommige plaatsen was het vuur tot 2-m diep in de grond aan het branden. Alles was één grote vuurmassa Ternauwernood konden de bewoners vluchten naar veiliger plaatsen, althans dat dachten ze. Het vuur woekerde ondergronds voort en kwam op die plaatsen, waar men zich veilig waande, plotseling weer naar boven De brand was zo intens dat de inderhaast in het kanaal geworpen huisraad tot aan het water toe afbrandde. De schade was gigantisch en werd geraamd op Fl 150 000 op 1-juni was de grote veenbrand onder controle een inzameling actie werd door de Provinciaal Drentsche en Asser Courant op touw gezet voor geld en goederen in te leveren in Ter-Apel.

In 1918 heeft er ook een grote veenbrand gewoed die zeventien doden en talloze gewonden heeft geëist. Het geluid van de in doodsnood verkerende dieren was huiveringwekkend over de veenplaatsen. De schade was toen geraamd op Fl 800 000 Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik kwamen op 25 mei 1918 naar Valthermond om zich op de hoogte te stellen van de toestand en om hun deelneming te betuigen.

Verder waren er veenbranden in 1921, 1928 en oktober 1933.

Ook uit onvrede met de verveners werden  soms gedroogde turfbulten in brand gestoken.

Tot zover de veenbranden.

 

Uiterst rechts Hendrik Beekman (geb 1917) als boerenarbeider in Ter-Apel.

 

In Zuidoost Drenthe en Groningen was na het veenwerk de landbouw het volgende seizoen arbeid men ging dan de aardappels met de hand rooien op de knietjes. De eerste aardappelen waren de vroege de z.g.n. Gruinen kraabn (groenen rooien) deze werden gebruikt als pootaardappels voor het volgende jaar en als dat gebeurd was dan waren de consumptie en fabrieks aardappelen aan de beurt deze werden met pramen naar de aardappelmeel fabrieken gebracht alwaar er aardappelzetmeel van werd gemaakt. Vanaf Ter-Apel tot iets voor de stad Groningen stonden Aardappelmeelfabrieken de mensen die in die buurt woonden werden bijna vergeven van de stank die ze gaven. De meeste van deze zijn gesloten een paar grote zijn er nog over een grote daarvan staat nu nog te draaien in Gasselternijveensemond tijdens de Campagne vanaf september.Maar er was meer te doen zo zijn al de kanalen, die voor afwatering moesten zorgen, veelal met het handje gegraven helaas zijn in de zeventiger jaren veel kanalen dicht gegooid waar men in 1990 alweer spijt van kreeg een aantal is weer open gemaakt.Het meest karakteristieke is naar mijn mening bewaard gebleven tussen BargerCompascuum en EmmerCompascuum.

Het ouderlijk huisje fam Beekman aan de Kloosterveenweg in Ter-Apel.

 

Het veenmuseum is als nazaten van deze tak van de familie Beekman een must om te bezoeken het ligt dicht bij Barger Compascuum en daar is exact te zien hoe onze voorouders leefden en werkten, echt doen.

 

Wat zal een Groninger nooit doen.

Hij zal je nooit prijzen hooguit zegt hij “Naait slecht.

 

Wat zegt de buitenstaander van een Groninger.

Die is rustig, nuchter,kijkt de kat uit de boom is eigenwijs tot op het bot en zit barstensvol droge humor.

                   

 

Ter-Apelkanaal 2002.

 

 

 

 

 

 

In Groningen daarentegen ging men inplaats van turf andere goederen per schip vervoeren en kwam zodoende ook terecht in het buitenland b.v. St. Petersburg, China, Ned Indié, kortom wereldwijd. Op deze tochten werden veel souvenirs meegenomen. De zeelui en de vrouw van de kapitein, die meestal meeging, kregen een veelzijdige kijk op het leven buiten Groningen.

Dit bracht grote veranderingen met zich mee in kleding en leefgewoonten.

 

 

Een anekdote.

Uit het schoolmeestersrapport van 10 okt 1829 uit Nieuwe Pekela.

Vraag 16: Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswijze en welke zijn hunne zeden en gewoonten.

Antwoord: De tijd van naar bed gaan is onder de arbeidersklasse zeer vroeg, gewoonlijk bij den zomerdag ‘s avonds om 7 of 8 uren en des winters wat later. In den zomer gaat men ’s morgens te 2 uren of nog wel vroeger, vooral bij lichte maan, op. Nog voor de zon opkomt, is elk reeds op het veld aan zijn werk, of bezig turf te steken of te schepen. Des namiddags om 2 of 3 uren scheidt men uit, echter wordt in den tijd, dat turf gestoken wordt, tot ’s avonds 6 of 7 uren gewerkt.

De burger klasse leeft hier naar eigen verkiezing of aangenomen gewoonte. Het middagmaal houdt men vrij, algemene tussen 12 en 1 ure.

Bij bezoeken maakt men niet veel complimenten. Men komt,genoodigd te zijnd, in den namiddag of vooravond, blijft den avond passeren, en scheidt gewoonlijk niet voor 11 a 12 uren. Een kopje thee, koffie met een blaadje.

Protestant Christelijke School in Ter-Apel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doel van het onderzoek.

Het onderzoek naar het verleden van de familie heb ik voornamelijk gedaan om inzicht te verkrijgen in de keuzes van onze voorouders op allerlei gebied met name daar waar te achterhalen hun maatschappelijke omstandigheden de kerkstrijd en hun kerkelijk leven. Vervolgens heb ik dit onderzoek gedaan om binding te brengen in families van deze tijd.
Het van elkaars bestaan afweten met de gedachte dat we uit dezelfde stam zijn ontsproten, geeft toch een gevoel van bij elkaar te horen. De bijbel leert ons hoe belangrijk de historie van de familie is. Het overgrote deel van de familie is van Gereformeerde gezindte.

Het ontstaan van de Afgescheiden kerk op 10-April 1835 vond plaats in Stadskanaal. Het waren de mensen die de leer en wandel in de Hervormde kerk verbasterd en dus niet goed vonden. Daarom werden dan in de Gereformeerde gemeenten, die zich van de liberale of zogenoemde Hervormde kerk hadden afgescheiden,  voorlopig ouderlingen en diakenen aangesteld en door de herder en leraar, door de Weleerwaarde Heer Ds. H.de Cock onder het kruis bevestigd, waartoe hij overkwam op vrijdag 10-April 1835, houdende tweemaal een leerrede ten huize van J.M. Kloppenburg. (hetgeen de directe tak is van mijn vrouws moeder)

Telkens ten aanhoren van 19-personen, waarop hij de hoofdinhoud, de belijdenis, opnieuw voorhield.Ze beloofden het allen plechtig. Daarna werden er 3-ouderlingen en 3 diakenen bevestigd in Stadskanaal.

Gereformeerde kerk in Stadskanaal 2002

Stadskanaal 2002

 

 

 

De Gereformeerden 

Even in het kort iets over het prille begin van de huidige Gereformeerde kerk in ons land. Daarvoor gaan we ongeveer 200-jaar terug in de tijd. Na de franse overheersing (tot 1813) ontstond er onder een groot deel van de bevolking een soort gevoel van “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap”. Dit was komen overwaaien uit Frankrijk. In november 1813 werd Willem I koning van Noord en Zuid Nederland. In 1816 ontstond onder zijn bewind het “Reglement voor de Nederlandse Hervormde Kerk” Vooral in Zuidelijk Nederland rezen hier bezwaren tegen. Dit liep zo hoog op, dat in 1830 een opstand uitbrak wat in 1839 leidde tot een breuk tussen Noord en Zuid Nederland, hierdoor ontstond België. Ook in de noordelijke Nederlanden (het huidige Nederland) werd een groep mensen, die de nieuwe kerkelijke ontwikkelingen met zorg gadesloeg, alsmaar groter. Zij hielden vast aan wat meer conservatievere gedachten, “het erfdeel der Vaderen” Er ontstond in ons land twee stromingen: de Vrijzinnigen en de Rechtzinnigen. De Rechtzinnigen hielden vast aan “de oude leer” De Vrijzinnigen geloofden meer in een nieuwere manier van geloven. In een relatie met God in de praktijk van het dagelijks bestaan. De Rechtzinnigen  kregen geen ruimte voor hun opvattingen, hierdoor ontstond een breuk in de Hervormde Kerk. De afscheiding “begon officieel” in Ulrum waar Hendrik de Cock predikant was. Afgescheidenen (de Rechtzinnigen) in Ulrum brachten op 13-oktober 1834 de akte van afscheiding uit. Het houden van Godsdienstoefeningen was voor afgescheidenen echter (officieel) verboden. Ook de naam Gereformeerd Kerk mocht aanvankelijk niet gevoerd worden. Na veel druk uit het gehele land veranderde dat 1869 en mocht de naam Christelijke Gereformeerde Kerk gebruikt worden door de Afgescheidenen. Ook in het noorden ontstonden in de eerste helft van de negentiende eeuw Afgescheidenen. Eerst in de woning van een lidmaat en later in een heuse kerk die was betaald door de lidmaten. Tot zover de afscheiding van 1834.

 

Voor meer informatie leest men het boekje: “De Afscheiding van 1834 in Groningerland” Deel 2 door Ds. Wesseling. Uitgeverij de Vuurbaak in Groningen.

Uitvoerige informatie van de geschiedenis van Gereformeerd Kerk in Stadskanaal van 1835 tot 1940 wordt beschreven in het boekje “Kijk op een Kerk”door W.H. van der Ploeg. Uitgegeven door het Kerkelijk bureau Poststraat 31 Stadskanaal.

 

Een interessant boekje met als titel is ook: “De Gereformeerden” door Agnes Amelink.

Het geeft een beknopt ontstaan van de Gereformeerde kerk. Geschetst als een woelige ontwikkeling in de 19e Eeuw. ISBN No.90-351-2261-5

Onderzoek.

Het onderzoek is zo breed mogelijk opgezet d.w.z. de namen van geboorte data’s zijn vermeld maar ook zoveel mogelijk bijzonderheden.Tot 1811 kan men gewoonlijk terecht bij de Burgerlijke Stand (dit was het jaar van invoering), daarna moet ik het hebben van kerk registers. Bijzonderheden zijn b.v. gevonden contracten, krantenknipsels, foto’s, overlijdens advertenties enz. enz. Hier en daar zijn nog flinke lacunes doordat ik met de betrokkenen (nog) geen contact kon krijgen. Hopelijk zal dit nog eens lukken met name de families die elkaar kennen kunnen daarin een grote rol spelen. Aanvullingen kunnen ook later nog worden toe gevoegd. De laatste generatie is waarschijnlijk niet compleet maar kan simpel aangevuld worden omdat die generatie relatief jong is en ik hoop dat mij die gegevens t.z.t.worden toegezonden, met foto. Mocht u onjuistheden aantreffen of aanvullingen willen geven, dan kunt u met mij kontact opnemen dit kan per post Aan: Samensteller of per E-mail.

Deze stamboom is door mij in een Amerikaans pakket ingevoerd. Een aantal misschien onbekende woorden zal ik er als vertaling aan toevoegen alsmede een  idee hoe het boek moet worden gelezen, na wat dóór lezen zult u ontdekken dat veel afkortingen en woorden elke keer terug komen. (Niet op Internet) Ik wil degenen bedanken die mij steeds weer hebben voorzien van informatie.

 

De achternaam Beekman.

De betekenis daarvan moet nog worden onderzocht als iemand daar al suggesties voor heeft hoor ik dat gaarne.

 

Familienaam Beekman voorkomend in het Aardrijkskundige woordenboek van A.J. v/d Aa.

 

In 1807 werd in Biervliet met op het torentje een haring als windwijzer. In één van de vertrekken ziet men een kaart van Oud - en Nieuw Biervliet “met een gezigt op den stad”in het midden van de 17e Eeuw. Deze kaart is in het jaar 1716 door de schoolmeester Adriaan Beekman vervaardigd.


Isaak Beekman overleden 20-mei 1657 was wiskundige aan de Latijnse school te Dordrecht.

In 1630 was de vijfde predikant Levinus Beekman van de Hervormden in de Ring van Rotterdam welke 46700 in getal waren hij overleed in 1633.

Martinus Beekman wonende te ’s Gravenhage schreef in 1745 “Eene Beschrijving van Asperen”.

 

In plaatsnamen komt voor een “Beekmanbosch” Het is een bos ten Westen van Velsen groot 8-Bunder meest beplant met Elzen en Essenhakhout. Behoort in eigendom van Jonkheer Lucas Boreel wonende te Wijk-aan-Duin.

 

De herkomst en betekenis van Nederlandse plaatsnamen toegespitst op die namen welke voorkomen in de stambomen. Uit het plaatsnamenboek door Gerald van Berkel en Kees Samplonius.

 

Anloo: (Dr) Bekend vanaf 1139 Anlon; 1169 in Anlo; Betekent: Bosje op hoge zandgrond.  

Assen: (Dr) Bekend vanaf 1200 Hassen; 1267-1268 Ascen; 1276 Assen; er kunnen diverse betekenissen aan worden gegeven t.w. Pacht, loon verschuldigd aan de bisschop van Utrecht of houthakker of verwantschap aan een boomnaam.

Barnflair: (Gr) Bekend vanaf 1586 Barnfledder Betekent: Laagveen wat brandstof leverde.

Bellingwolde (Gr) Bekend vanaf 1498 Bellingwolde; Betekend: Bij het woud van de fam.Bellinga.

Blijham: (Gr) Bekend vanaf 1517 tho Blijham, Betekent: Met blij (slijk) bedekt buitendijks land.

Bleiswijk: (ZH) Bekend vanaf 1396 Bleeswijc; 1494 Bleyswijck; Betekent: Naam van een 1242 uitgegeven ontginning door een persoon genaamd Blees mogelijk Blois.

Borger: (Dr) Bekend vanaf 1327 in Borghere omstreeks 1335 Borgere; 1381-1383 Borgheren; sommigen gaan uit van burg(w)ari is Burchtbewoners, maar van een burcht is niets bekend. Anderen meningen van burkehari is Berkenhoogte.

Borgercompagnie: (Gr) Bekend vanaf 1840 Borgerkompagnie; compagnie is een gebruikelijke naam voor in de Ommelanden gestichte veenkoloniën, genoemd naar de ontginners, de zgn. compagnons. Borgercompagnie is: burger-compagnie is dus gesticht door de Groningse burgers.

Buinen: (Dr) Bekend vanaf 1141 in Buun; 1550 Buenen; 1557 Bune; de oudste vorm kan ook Bunne bij Eelde zijn, buun, bune is: Gevlochten heg.

Buitenpost: (Fr) Bekend vanaf 1508 Buta post 1558 Buitenpost Betekent: Buiten of ten noorden van de post. (post, in deze een smalle loopplank over een sloot, kleine brug.)

Drouwen: (Dr) Bekend vanaf 1381 to Druwen hierin schuilt misschien de verouderde friese naam van een persoon Drouwe, Druwe.

Dordrecht: (ZH) Bekend vanaf 1100 Thuredrith, Thuredrit; 1151-1155 Thuredrecht; Samengesteld uit door en drecht vaarwater. De naam betekend dus doortocht nl. van de Merwede naar de rivier de Dubbel.

Dokkum: (Fr) Bekend vanaf 800 Dockinga; 822-842 Tochkingen; 1000 Doccinga, betekent: Dokke.

Emmen: (Dr) Bekend vanaf 1327; 1313 Emne; 1327 Empne;Emne gaat mogelijk terug naar emni(eban is vlak effen) in de betekenis “de vlakte van de Barge” (Noord en Zuid-Barge)

Enschede: (O) Bekend vanaf 1118 Aneschede; eind 1300 Enschede, Mogelijk betekent het: Een waterscheiding, een grens of heuvelrug.

Elsloo: (L) Bekend vanaf 1002 Elisa; 1111 Eleslo; 1122 Elslo en betekent: Elsenbos

Exloo: (Dr) Bekend vanaf 1376 Exle vermoedelijk uit êkeslô betekend eikenbos.(Exloërmond etc. is daar een afgeleide van).

Epe: (G) Bekend vanaf 1176 Ape, Eep; een afleiding van Apa. Betekent: Land aan een rivier.

Eesveen: (D) Bekend vanaf 1300 Ees; duidt op de friese zandgronden. Betekent: Veen aan de zandgronden.

Finsterwolde (Gr) Bekend vanaf 1475 Ast en Vynsterwoldt, Betekent bij het noordelijk gelegen woud.

Foxhol: (Gr) Bekend vanaf 1495 Voshol; 1615 Foxhol; Men vermoedt dat het de naam kreeg naar het voorbeeld van het nabijgelegen Foxham. Het betekend: Vossehol.

Gasselte: (Dr) Bekend vanaf 1302 Gesholte; 1359 Gasselte, het is niet zeker of Gesholte een oude vorm voor Gasselte is. Indien wél, dan betekend Gasselte: Onvruchtbaar bos.

Gees: Waarschijnlijk dezelfde betekenis als Gasselte.

Geleen: (L) Bekend vanaf 1148 Glene oorspronkelijk een waternaam met de betekenis van: Schoon, glanzend.

Groningen: Bekend vanaf 1040 Groninga,Groninge; en op een munt uit 1024-1054 GRONNIGGEA; midden 12e Eeuw Gruningen. Het betekent: Bewoners aan de groene beek of weide.

Haren: (Gr) Bekend vanaf 1323 Haren; Betekent: Bij zandige heuvelruggen.

Hebrecht (Gr) Bekend vanaf 1867 Het Hebrecht, De naam herinnert aan de twisten over het bezit van deze streek tussen Munster en Groningen.Stamt dus uit Hebbe-recht = twistzoeker of egoïst.

Hengelo: (O) Bekend vanaf 1385 Hengeler Goer; Betekent: Bosjes op de helling of omheining.

Heino: (O) Bekend vanaf 1245 Heyna; 1383 kerspel van der Heine; 1649 der Heino; Betekend: Mogelijk “afscheiding”

Horsten: (Gr) Bekend vanaf 1844 De Horsten, Betekent: Met struikgewas begroeide hoogte.

Hoogeveen: (Dr) Bekend vanaf 1795 Hoge-Veen ca.1625 gesticht door Roelof van Echten voor de ontginning van de “hoge venen”

Hoogezand: (Gr) Bekend vanaf 1613-1618 hooge sant Betekent: Zandige hoogte, waar in 1621 de eerste huizen gebouwd werden ter ontginning van het veen.

Jipsinghuizen: (Gr) Bekend vanaf 1634 Jipsinghuijsen; Betekent: Nederzetting door de persoon “Jipsing”

Kiel-Windeweer: (Gr) Bekend vanaf 1845 De Kijl; Beide dorpen zijn als veenkoloniale streekdorpen (ontstaan omstreeks 1647) naar elkaar toegegroeid. Kiel = wig  kiels= schuin toelopend. Is ontstaan door de ligging aan het Kieldiep, dat daar een stompe hoek maakt. Windeweer is een afgeleide van een zeer aanzienlijke en ruime herberg bij Garrelsweer (weer = waterkering en winde = wenden) in dit geval aan het Damserdiep.

Klazienaveen: (Dr) Bekend vanaf 1899 Klazienaveen Vernoemd naar Klaziena, vrouw van de industrieel W.A.Scholtens. (1819-1892)

Klijndijk: (Dr) Bekend vanaf 1854 Is genoemd naar de vervener Klijn, die tevens het in 1854 gestichte Schoonoord aldus doopte.

Kropswolde: (Gr) Bekend vanaf 1249 Crepeswalder; 1291 Crepeswolda; 1600 Krobswolder; men neemt aan dat de betekenis is: Woud.  

Lula: (Gr) Bekend vanaf 1706 in den Lula, Vindt zijn oorsprong in de persoonsnaam: “Die van Luul”.

Meppel: (Dr) Bekend vanaf 1141; 1247 en 1325 Meppele 1298-1304 Mappele  1368 Mepplo men heeft getracht verwantschap te zien met het Engels dan zou het iets van “bos”zijn doch dit is niet zeker.

Midwolda: (Gr) Bekend vanaf 1558 Midwolder; Betekent: Het in het midden gelegen woud.

Mussel: (Gr) Bekend vanaf 1634 toen werd gesproken over het Mussel Brouck Mussel heeft de betekenis van: Moerassig land. (Musselkanaal is daar een afgeleide van)

Nieuwe Compagnie: (Gr) Bekend vanaf 1647 Veenkolonie aangelegd door de “Nieuwe Friese Compagnie”.

Odoorn: (Dr) Bekend vanaf 1393 in Oderen;1393 Odern; 1601 Oderen; vóór 1883 was de uitspraak nog geregeld Oreng, zodat mag worden verondersteld dat de betekenis is: De lieden van de persoon: Odheri.

Oldenhave: (Dr) Bekend vanaf 1375 Oeldenhoev; Betekent: Het oude hof.

Oldenzaal: (O) Bekend vanaf  893 Aldenselen; 1049 Aldensele; 1119 Aldeselensis; 1139 Oldezeel; Betekend: Oude zaal. (uit één ruimte bestaand huis.)

Onstwedde: (Gr) Bekend vanaf 900 Unesuuido; 1316 Unswedde; 1545 Onstwedde; Betekent: Bos.

Rotterdam: (ZH) Bekend vanaf 1299 van Rotterdamme; 1396 Rotterdam; Betekent: Bewoners achter de dam van de rivier de Rotte.

Scheemda: (Gr) Bekend vanaf 1435 vander Schemede, Betekend: Bij de vlonders.

Sappermeer: (Gr) Bekend vanaf 1618 Er was oorspronkelijk een meer met die naam sappe of sape dit heeft men verbonden aan: Veld of heide.

Sellingen: (Gr) Bekend vanaf 1150 Sallinge, 1316 Zellynge, De plaatsnaam is vernoemd naar de persoon “Selle

Sittard: (L) Bekend vanaf 1119 Siter; 1150 Sithert; Sîter Betekent: Bergflank.

Schoonebeek: (Dr) Bekend vanaf 1341 Sconebeke Betekend: Schone, heldere (niet met waterplanten dichtgegroeide) beek.

Sleen: (Dr) Bekend vanaf 1100 Slene; 1335 Sclen; 1338 Slen; 1342 Sleen, Mogelijk een afgeleide van “een kleine pruim”.

Smeerling: (Gr) Bekend vanaf 1634 Smierling; Oorspronkelijk een geslachtsnaam. Mogelijk een afgeleide van Smeerling, hetgeen betekend: Riviergrondel.

Stadskanaal: (Gr) Bekend vanaf 1765 in dat jaar werd door de stad Groningen met de bouw van het kanaal, waarlangs Stadskanaal ligt, begonnen. De eerste huizen werden gebouwd in 1787.

Steenwijk: (O) Bekend vanaf 1141 Steenwijc; Betekent: Vestigingsplaats.

Ter-Apel: (Gr) Bekend vanaf 1464 de Stede Apel; 1517 tho Apell; 1595 ther Aepell; 1602 Draepel; sommigen zien hierin een samenstelling van á waterloop en pôl poel.

Vaassen: (G) Bekend vanaf 800 Fasna; 1118-1127 Vanon; 1176 Fassen; 1188 Vasen; Betekend: Een soort ruw gras.

Valthe: (Dr) Bekend vanaf 1217 in Valten 1298-1304 Valte of Volthe is omheinde ruimte of erf. Een afgeleide hiervan is Valthermond (mond is kanaal)

Vlagtwedde: (Gr) Bekend vanaf 1316 Flachtwilde; een samenstelling van flacht wat doorstrengeld is, widu hout, struikgewas.

Veendam: (Gr) Bekend vanaf 1655 Veendam dam in het veen aangelegd. In 1648 gesticht door Adriaan Geerts Wildervanck (Zie ook Wildervank)

Veenhuizen: (Gr) Bekend vanaf 1634 Veenhuysen, Betekent: woonplaats in het veen.

Weerdinge: (Dr) Bekend vanaf 1327 Weerdighen 1362 Waerdingh; 1519 Weerdinge, betekenis: Genoemd naar de lieden van: Wardo (Weard) (een afgeleide hiervan is: Nieuw-Weerdine)

Winschoten: (Gr) Bekend vanaf 1391in 1435 van Wynschote is ontstaan uit Winders-kote “kleine hoeve”is hier een afgeleide van.

Wildervank: (Gr) Bekend vanaf 1649 de Wildervanck in 1647 verkregen door Adriaan Geerts Paep, die zich later zelf vernoemde naar de veldnaam Wildervanck is de in bezit genomen heide.(Zie ook Veendam)

Winneweer: (Gr) Bekend vanaf 1867 Windeweer oorspronkelijke naam van een zeer aanzienlijke en ruime herberg bij Garrelsweer. Betekenis van weer is waterkering/dijk (aan het Damsterdiep) De dijk maakt daar ter plekke een bocht, zodat men voor Winde mag denken wenden of keren.

Zuidhorn: (Fr,Gr) Bekend vanaf 1338 Huren De oude vorm geld voor de Groningse plaats en betekend: Zuidhoek. In het fries is het bekend als Súdhoarne.

Zuidlaren: (Dr) Bekend vanaf 1160 Suethlare,betekent: Bij de bosweiden.

Zwartemeer: (Dr) Bekend vanaf 1899 Zwartemeer bij Emmen, genoemd naar een veenmeer Zwart wijst op de kleur van het water.

Zwijndrecht: (ZH) Bekend vanaf 1006 Svindrecht;1639 Swyndrecht;samengesteld uit germ. Swina kreek en – drecht tocht dus: “Doortocht via een kreek”.

 

Het familie wapen.

Er zijn bij het Bureau voor Genealogie 7-Familiewapens bekend.Personen die op een belangrijke post zaten, zoals b.v.Schepen,Schout,Burgemeester,Notaris e.d. konden het zich financieel veroorloven om een familie wapen te laten maken waarin ze zelf aangaven wat hun waardes van kleuren en figuren betekenden, wat voortvloeide uit: Wat is mijn beroep. Wat is mijn woonplaats. Wat is mijn vaders naam. Wat zijn mijn karakter trekken.

De hamvraag is nu welke van de 7 is het, misschien. Dit probeer ik uit te zoeken maar hulp daarin is natuurlijk welkom.

 

Uitgave.
Er is een stamboomboekje met de nieuwste gegevens erin.

 

Samensteller.

Klaas Ketelaar C.Evertsenstraat 126 3317 XJ Dordrecht Tel 078 – 6186024 E-mail: k.ketelaar@upcmail.nl voor website zoeken onder”Google: Genealogie Ketelaar”

 

 

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller van deze stamboom.

k.ketelaar.