Geschiedenis van de veenkoloniën.

In het Veenkoloniaal museum is de geschiedenis verteld van het veen, met name in de provincies Groningen en Drente, alsmede de zeevaart in Groningen. (Turfvaart)

Het zijn de Friezen geweest die met het ontginnen van het veen zijn begonnen. Zij hebben de aanzet gegeven voor de provincies Groningen en Drente. De Groningers waren veel meer geordend bezig dan de Drentenaren. Zij waren daardoor kapitaal krachtiger dan de Drentenaren. In Veendam werden in de 19e eeuw (vanaf 1800) veel binnen schepen en zeeschepen op de werven gebouwd. Dit  was nadat door de vervening (rond 1600) in de provincies Groningen de turfvaart ontstond. Een zeeschip had een laadvermogen van 150-ton Op het buitenland voeren veel kogschepen en schoeners. Deze schepen moesten in de haven van Delfzijl liggen, omdat de masten niet konden worden gestreken om naar Veendam te varen, Zeetjalken kunnen dit wel. De geschiedenis leert ons dat de scheepsbouw de Groningers geen windeieren heeft gelegd. Veendam en Nw Pekela waren door de kanalen economisch nauw aan elkaar verbonden Dit blijkt ook uit de scheepsbouw en het onderwijs in de scheepvaart. Het aantal kapiteins dat op zeeschepen voer was in Veendam 210 en in Nw Pekela 163. Samen hadden de veenkoloniën 684 zeeschepen in de vaart en 398 rederijen

In Nw Pekela staat nog als museumstuk een kapiteinshuis. Uit onderzoek is vast komen te staan dat aan de contracten duidelijk is te zien dat Veendammers en Nw Pekelaren rijk waren aan goederen en geld dus welgestelde mensen waren. In 1860 kelderde de turfprijs In Groningen bleef de welvaart door de scheepsbouw en scheepvaart maar in Drenthe kwam de armoede. Daar trof men in die tijd plaggenhutten aan. Enkele vooraanstaande families in Groningen en Drente hadden aandelen gekocht in de bouw van zeeschepen, ook landbouwers deden dat.

 

Veen.

Veen is de in de bodem en vegetatiekunde gebruikelijke benaming voor een sponzige, met water verzadigde bodem, die uit een dikke laag afgestorven, maar niet volledig verteerde planten resten bestaat. Boven de grondwaterspiegel noemt men het Hoogveen en onder de grondwaterspiegel noemt men het Laagveen. Beide hebben hun eigen vegetatie; een specifieke veenfauna bestaat niet.

 

Veengronden.

Veengronden vind men voornamelijk in gebieden die gedurende het Pleitoceen (2,5 miljoen tot 10.000 jaar geleden) door ijs bedekt zijn geweest, waardoor de bodem hoogte verschillen vertoont. Hiertoe behoren grote delen van de toendra-en naaldwoudgordel in het noorden van Canada, Noord-Europa en de Rusland.

 

Veenkoloniale streek.

De veenkoloniale streek is een Noordnederlandse streek die omsloten wordt door de Drentse Hondsrug, de zandopduikingen van het Groningse Westerwolde en het Schoonebeker diep. Het was een woest veenmoeras gebied, dat rond 1600 in de belangstelling kwam van de stad Groningen en Hollandse steden vanwege zijn enorme voorraden van de brandstof turf. Na het georganiseerd afgraven bleven de dalgronden over, die geschikt waren voor de akkerbouw, op basis waarvan zich in de 19e Eeuw agro industrieën ontwikkelden.

 

Met Veenkoloniale streek bedoelt men het Noordnederlandse gebied dat wordt begrenst door de Drentse Hondsrug in het westen, het Schoonebeker diep in het zuiden, de Duitse grens in het oosten en de Groningse regio’s Reiderland, Oldambt en Duurswold in het noorden. De streek dankt haar naam aan het georganiseerd vervenen van hoogveen, enerzijds voor de winning van de brandstof turf, anderzijds voor het doen ontstaan van voor de landbouw geschikte dalgronden (zandgronden vermengt met de bovenste veenlaag. (de bolster) De venen waren een woest niemandsland, dat grensde aan hoger gelegen en vroeg bewoonde zandstreken, waar al vroeg incidentele vervening voor brandstof plaatsvond, onder meer door kloosters. De eerste echte veenkolonie was Kropswolde waar vanaf de 15e Eeuw turf gegraven werd voor de stad Groningen maar de groeiende brandstof behoefte van de Stad en Hollandse steden (voor het bakken van bouwstenen, voor verwarming en het brouwen van bier) wakkerde rond 1600 de Groningse interesse voor het veengebied ten zuidoosten van de stad aan. Door de Groningse politiek de Ommelanden aan zich te binden kon de stad al sinds de 15e Eeuw, via heerlijke rechten over Oldambt, aanspraken maken op een deel van de venen, maar een definitieve regeling kwam pas tot stand na het vrij willekeurig vaststellen in 1615 van de provinciegrens met Drenthe, de z.g.n. Semslinie tussen de Martinitoren en het kasteel Ter Haar bij Ter-Apel, en na het vervenen van de heerlijke rechten over Westerwolde in 1619. Het vervenen zelf liet Groningen over aan particuliere ondernemingen, compagnieën, maar de afvoer van de turf moest via de stad geschieden, zodat tol en sluisgelden geheven konden worden. Daartoe werd in 1612 begonnen met het graven van het Winschoterdiep, van waaraf de verveners via zijkanalen en oude veenstroompjes (Pekel A, Mussel A) verder het veen introkken. Reeds rond het midden van de 17e Eeuw waren de Groninger venen volledig in exploitatie en waren de eerste veenkoloniale nederzettingen (als oudste Sappermeer 1621) ontstaan. Oorzaak hiervan was een bijzondere bepaling in de verveningconcessies, n.l dat de bovenste veenlaag vermengd moest worden met de overgebleven zandgrond, zodat zich met behulp van Groningse stadscompost landbouw zou kunnen ontwikkelen en Groningen ook ná de afgraving van inkomsten uit het gebied verzekerd kon zijn. De grootscheepse ontginning van het Drentse deel van het Oostermoer moest wachten tot de aanleg van Het Stadskanaal (1761-1856), vlak langs de Gronings-Drentse grens, doordat de Hunze niet voldoende bevaarbaar was voor turfschepen. Vanaf Het Stadskanaal werd het gebied van Markevenen van de Hondsrugdorpen ontsloten door het graven van de z.g.n. Monden en in exploitatie genomen stadscompost was toen echter niet meer toereikend voor de bemesting van de akkers, zodat daar de boerenbedrijven van begin af aan vee moesten  houden om in hun mestbehoefte te voorzien. De ontginning van de Zuidveldse Venen begon in de 19e Eeuw. Dankzij de uitvinding van kunstmest konden de landbouwbedrijven zich hier echter vanaf het begin op de akkerbouw instellen. Door het wegvallen van de behoefte aan turf als brandstof zijn in Zuidoost Drenthe belangrijke veencomplexen (Amsterdamseveld) bewaard gebleven. Aan de basis van de welvaart die de veengraverij aan enkelen in het noordoosten van Nederland bracht stond een legertje veenarbeiders dat constant werd aangevuld met lieden van allerlei allooi en uit alle windstreken.Levend in rauwe mannengemeenschappen onder pioniers omstandigheden, woonden zij tot in de 20e Eeuw in ongezonde plaggenhutten, woekerrenten betalend over de schulden die zij tijdens de winter werkloosheid maakten, en ’s zomers werken van zonsopgang tot zonsondergang. Zij werden uitgebuit door betalingen in natura, die zij tegen lagere prijzen weer moesten verkopen om geld in handen te krijgen, terwijl de veenbaas in zijn winkel (met verplichte winkelnering) woekerprijzen berekende. Slechts enkelen konden ontsnappen door zich als keuterboer te vestigen, maar de overigen trokken weer mee als nieuwe gebieden in exploitatie genomen werden. In hun kommervol bestaan bracht Gods Woord weinig verlichting, zodat de veenkoloniën al vroeg gekenmerkt werden door een hoog percentage onkerkelijkheid, terwijl met het socialisme en het communisme in ieder geval een gemeenschappelijke vuist gebald kon worden.

 

Industriële ontwikkeling

Op basis van de turftransporten ontstonden langs de Groningse kanalen al in de 17e Eeuw scheepsbouw en scheepsreparatie In de eerste helft van de 19e Eeuw bouwde men zelfs logge, maar stabiele en zeewaardige schepen voor turftransporten tot aan St Petersburg. Maar daarna ging het bergafwaarts door de komst van grotere ijzeren stoomschepen en pas ná de Eerste Wereldoorlog bloeiden de Groningse scheepsbouw en scheepvaart weer op door de ontwikkeling van de kustvaarder (Coaster) een schip dat over zee de binnenhavens kon bereiken daardoor overslag van de lading overbodig maakte. Rond de scheepsbouw en de landbouwwerktuigen heeft zich in de Veenkoloniale streek een tamelijk omvangrijke metaalindustrie ontwikkeld, die nog werd versterkt door de opkomst van landbouwindustrieën waartoe W.A. Scholten (1819-1892) de aanzet gaf. Op basis van schoon water, aardappelen als grondstof en turf als brandstof startte hij in 1841 een aardappelmeelfabriekje in Foxhol voor de bereiding van moutwijn. Zijn voorbeeld deed velen volgen, maar de monopoliepositie die de fabriekanten wisten op te bouwen werd doorbroken doordat boeren op coöperatieve basis hun aardappelen zelf tot zetmeel gingen verwerken, zodat particulieren moesten overschakelen op de productie van aardappelmeelderivaten. De volgende agro-industrie was de strokartonfabricage die zich vanaf 1870 voor schoon water aan de rand van het veen vestigde, maar het stro uit Oldambt betrok, totdat na de introductie van de kunstmest ook de veenkoloniën granen konden verbouwen en stro konden gaan leveren. Na de tweede wereldoorlog kwam de traditioneel problematische werkgelegenheid in de veenkoloniale streek wederom in een crisis situatie, doordat de landbouw op grote schaal mechaniseerde en arbeiders afstootte, de aardappelteelt bedreigd werd door ziekten (aardappelmoeheid), de stroproductie verminderde door de teelt van nieuwe korthalmige graangewassen, terwijl voor de scheepsbouw de kanalen en sluizen al snel te klein werden om de steeds groter wordende schepen door te laten. Compensatie werd enigszins gevonden in de vestiging (vooral in Emmen) van dochterbedrijven van grote ondernemingen elders in Nederland, die konden profiteren van een ruime arbeidsmarkt met industriële ervaring. Maar van de scheepsbouw is nog weinig over langs het Winschoterdiep en de aardappelmeel-en strokartonindustrie zijn gesaneerd en geconcentreerd in enkele bedrijven, die na de invoering van de wet op Verontreiniging Oppervlaktewateren (1970) nog de financiële consequenties moeten dragen van zuivering van hun afval water en de aanleg van een vuilwaterpersleiding (smeerpijp) naar de Dollard. De Veenkoloniale streek zal dan weliswaar bevrijd zijn van haar stinkende kanalen, maar de werkgelegenheid zal wederom bedreigd worden of daar compensatie werk tegen over gesteld wordt zal de tijd leren doch de mensen uit de Veenkoloniale streek hebben daar geen goed gevoel over omdat veel bedrijven met subsidie gelden daar gesticht zijn en reeds na een aantal jaren de deuren weer hebben gesloten of gesaneerd naar kleiner.

 

Turfwinning.

Was seizoen arbeid, hooguit tot half juli eerst het Hoogveen ontdoen van de bovenste laag de z.g.n. Bolster deze werd zover afgegraven dat de turfstekers aan de slag konden het was wat lossere turf die niet zoveel hitte gaf bij het stoken.

 

                                        Veenwerkers bij de Persmachine.

 

 

Als die laag eraf was dan kwamen de Pers en Bagger machines daarin werd met een Jacobs ladder de Laagveenturf omhoog getransporteerd werd vermalen vermengd met water en op plankjes gespoten die vervolgens via twee kabels over de lengte van het veld getransporteerd werden en door mankracht op diverse plekken eraf gehaald en op zijn kant gezet, zonder plankjes, om te drogen. Daarna moesten de turven op bultjes worden het z.g.n.stoeken.

                                

                                              Het op stoeken gezette persturf

En weer daarna werden ze op grote bulten gezet waarop de regen geen invloed meer had langs het kanaal in afwachting van transport naar de klanten via pramen. Het baggeren gebeurde met dezelfde soort machine maar dan was het veen veel natter gemaakt en werd het met een lange slurf over het veld gespoten die omgeven was met opstaande schotten zodat het niet weg kon lopen. Men liet het tot half zacht drogen en ging dan met plankjes onder de klompen het veen inklinken door het lichaams gewicht het z.g.n. Trippen Direct daarna moest het veen worden gestoken met een lange steel waarop een geslepen scherp zwaard zat van zo’n 45-cm lengte, weer daarna werd het veen, op de sneden, handmatig gebroken en legde men het voor het laatst te drogen. Ook die werden op grote bulten (hopen) gelegd langs het kanaal voor vervoer per praam. (schip)

                                   

                                    Het handmatig breken van de hoogveenturven.

 

 

 

Omdat onze voorvaderen uit het navolgende gebied kwamen is het volgende vermelden waard.

 

De veenbrand in het jaar 1880 en 1918.

Op het hoogveen werd veenboekweit verbouwd in het voorjaar voor consumptie. Nadat geoogst was liet men de velden liggen tot de winter bij droog en vorstig weer werden de velden losgehakt d.m.v. een houten veenploeg en er werden greppels gegraven voor afwatering. Was de bodem goed droog dan werden de te verbouwen velden met een soort vuurkorf in brand gestoken. Weldra zag men hier en daar donkere rookpuimen opstijgen Geheel Emmer Compascuum, Nw Weerdinge Valthermond enz, ja geheel Oost Drente, was een en al rook. De zon werd er door verduisterd en door de wind voortgedreven werd de veenrook zelfs op verre afstand waargenomen, overal overlast veroorzakend. Was de bovenste laag geheel tot as verbrand, dan doofde het vuur vanzelf. De verbranding leverde meststoffen op voor de verbouw van veenboekweit. Dit was dus pure roofbouw. In het mengsel van as en turf werd zo spoedig mogelijk het zaad gezaaid. Wie na 6-weken deze gebieden bezocht,zou aangenaam getroffen worden door de talloze witte bloempjes van het bloeiende boekweit.

In het jaar 1880 gebeurde dat niet, op 27 mei werd de rustige, wind toen men begon, met het in brand steken, binnen een paar dagen aangewakkerd tot orkaankracht met als gevolg dat er geen houden en blussen meer aan was. Op sommige plaatsen was het vuur tot 2-m diep in de grond aan het branden. Alles was één grote vuurmassa. Ternauwernood konden de bewoners vluchten naar veiliger plaatsen althans dat dachten ze. Het vuur woekerde ondergronds voort en kwam op die plaatsen, waar men zich veilig waande plotseling, weer naar boven. De brand was zo intens dat de inderhaast in het kanaal geworpen huisraad tot aan het water toe afbrandde. De schade was gigantisch en werd geraamd op Fl 150 000.  Op 1-juni was de grote veenbrand onder controle een inzameling actie werd door de Provinciaal Drentsche en Asser Courant op touw gezet voor geld en goederen in te leveren in Ter-Apel.

In 1918 heeft er ook een grote veenbrand gewoed die zeventien doden en talloze gewonden heeft geëist. Het geluid van de in doodsnood verkerende dieren was huiveringwekkend over de veenplaatsen. De schade was toen geraamd op Fl 800 000 Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik kwamen op 25 mei 1918 naar Valthermond om zich op de hoogte te stellen van de toestand en om hun deelneming te betuigen.

Verder waren er veenbranden in 1921, 1928 en oktober 1933.

Ook uit onvrede met de vervener werden  soms gedroogde turfbulten in brand gestoken.

Tot zover de veenbranden.

                                            Groep Veenwerkers.

 

 

 

In Zuidoost Drenthe en Groningen was na het veenwerk de landbouw het volgende seizoen arbeid men ging dan de aardappels met de hand rooien op de knietjes. De eerste aardappelen waren de vroege de z.g.n. Gruinen kraabn (groenen rooien) deze werden gebruikt als pootaardappels voor het volgende jaar en als dat gebeurd was dan waren de consumptie en fabrieksaardappelen aan de beurt deze werden met pramen naar de aardappelmeel fabrieken gebracht alwaar er aardappelzetmeel van werd gemaakt. Vanaf Ter-Apel tot iets voor de stad Groningen stonden Aardappelmeelfabrieken de mensen die in die buurt woonden werden bijna vergeven van de stank die ze gaven.

De meeste van deze zijn gesloten een paar grote zijn er nog over een grote daarvan staat nu nog te draaien in Gasselternijveensemond tijdens de Campagne vanaf september.

Maar er was meer te doen zo zijn al de kanalen, die voor afwatering moesten zorgen, met het handje gegraven helaas zijn in de zeventiger jaren veel kanalen dicht gegooid waar men in 1990 alweer spijt van kreeg een aantal is weer open gemaakt.

Het meest karakteristieke is naar mijn mening bewaard gebleven tussen Barger Compascuum en Emmer Compascuum.

Het veenmuseum is als nazaten van deze tak van de familie van Klinken een must om te bezoeken het ligt dicht bij Barger Compascuum en daar is exact te zien hoe onze voorouders leefden en werkten, echt doen.

 

 

In Groningen daarentegen ging men inplaats van turf andere goederen per schip vervoeren en kwam zodoende ook terecht in het buitenland b.v. St. Petersburg, China, Ned. Indié kortom wereldwijd.

Op deze tochten werden veel souvenirs meegenomen. De zeelui en de vrouw van de kapitein, die meestal meeging, kregen een veelzijdige kijk op het leven buiten Groningen.

Dit bracht grote veranderingen met zich mee in kleding en leefgewoonten.

                                          

                                             Gereformeerde Kerk Stadskanaal.

 

Van Klinken in de vervening rond Stadskanaal.

“Onze Gouden Eeuw” is uit turf geboren”zo wordt wel gezegd. Waar haalden onze voorvaderen destijds de energie vandaan, de energie in letterlijke zin, vandaan om vanuit het kleine Nederland de wereld economie te sturen? Het redelijk te onderbouwen antwoord is: Uit Turf met Turfvaart vervoerd vanuit de veenstreken naar de steden en industriegebieden.
Generaties van de familie van Klinken hebben daaraan bij gedragen. Het Repertorium van Familienamen in Nederland van 1947 registreert 463 maal hun familie naam met twee opvallende clusters. Driekwart van de naam dragers blijkt afkomstig uit de Gronings-Drentse Veenkoloniën en één kwart uit het Zeeuwse Nieuwerkerk. Naarstig speurwerk leverde nog één familie in Leeuwarden, van wie de naam in de vorige eeuw verdween en die via een varensgezel Jan Ariens van Klinken (geb. ca 1723) ook van Zeeuwse afkomst zal zijn geweest. Er is geen direct verband tussen de Zeeuwen en de Groningers; zo dat verband er al is, moet het van vóór het jaar 1700 zijn geweest.

                                                Stadskanaal Poststraat 2002.

 

 

 

Een anekdote:

Uit het schoolmeestersrapport van 10 okt 1829 uit Nieuwe Pekela.
Vraag 16: Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswijze en welke zijn hunne zeden en gewoonten.

Antwoord: De tijd van naar bed gaan is onder de arbeidersklasse zeer vroeg, gewoonlijk bij den zomerdag ‘s avonds om 7 of 8 uren en des winters wat later. In den zomer gaat men ’s morgens te 2 uren of nog wel vroeger, vooral bij lichte maan, op. Nog voor de zon opkomt, is elk reeds op het veld aan zijn werk, of bezig turf te steken of te schepen. Des namiddags om 2 of 3 uren scheidt men uit, echter wordt in den tijd, dat turf gestoken wordt, tot ’s avonds 6 of 7 uren gewerkt.

De burger klasse leeft hier naar eigen verkiezing of aangenomen gewoonte. Het middagmaal houdt men vrij, algemene tussen 12 en 1 ure.

Bij bezoeken maakt men niet veel complimenten. Men komt, genoodigd te zijnd, in den namiddag of vooravond, blijft den avond passeren, en scheidt gewoonlijk niet voor 11 a 12 uren. Een kopje thee, koffie met een blaadje.

 

 

              Gereformeerde kerk en Pastorie in Nw Weerdinge van 1907 en gesloopt in 2005

 

Doel van het onderzoek.

Het onderzoek naar het verleden van de familie heb ik voornamelijk gedaan om inzicht te verkrijgen in de keuzes van onze voorouders op allerlei gebied met name daar waar te achterhalen hun maatschappelijke omstandigheden de kerkstrijd en hun kerkelijk leven.

Vervolgens heb ik dit onderzoek gedaan om binding te brengen in families van deze tijd.

Het van elkaars bestaan afweten met de gedachte dat we uit dezelfde stam zijn ontsproten, geeft toch een gevoel van bij elkaar te horen.

Groepsfoto van Kinderen en aangetrouwden van Vader Klaas van Klinken geb 16-10-1881 en Frederika Aikens geb 17-05-1882 De volgende personen staan er paarsgewijs op.

Bovenaan van links naar rechts: Grietje van Klinken, Roelof Ketelaar. Margareta van Klinken, Christiaan Kemper. Hennie Veltman, Sybrand van Klinken. Grietje Gringhuis, Willem van Klinken. Onderste rij zittend: Gerritje Bos, Johannes van Klinken. Sjouke van Klinken, Elze Velthuis. Frouke van Klinken, Harm de Jonge.

 

 

Onderzoek.

Het onderzoek is zo breed mogelijk opgezet d.w.z. de namen van geboorte data's zijn vermeld maar ook zoveel mogelijk bijzonderheden.

Tot 1811 kan men gewoonlijk terecht bij de Burgerlijke Stand (dit was het jaar van invoering), daarna moet ik het hebben van kerk registers.

Bijzonderheden zijn b.v. gevonden contracten, krantenknipsels, foto’s, overlijdens advertenties enz. enz. Hier en daar zijn nog lacunes doordat ik met de betrokkenen (nog) geen contact kon krijgen. Hopelijk zal dit nog eens lukken met name de families die elkaar kennen kunnen daarin een grote rol spelen. De huidige levende generatie is waarschijnlijk niet compleet maar kan simpel aangevuld worden omdat die generatie relatief jong is en ik hoop dat mij die gegevens worden toegezonden indien mogelijk met foto. Mocht u onjuistheden aantreffen of aanvullingen willen geven, dan kunt u met mij kontact opnemen dit kan per post of E-mail Aan: Samensteller. Deze stamboom is door mij in een Amerikaans pakket ingevoerd. Een aantal misschien onbekende woorden zal ik er als vertaling aan toevoegen alsmede een idee hoe het boek moet worden gelezen, na wat dóór lezen zult u ontdekken dat veel afkortingen en woorden elke keer terug komen. (Niet op Internet)

 

 

De achternaam van Klinken.

De betekenis daarvan moet nog verder worden onderzocht. Mogelijke verbanden zijn hierna opgesomd: Als oudere namen komen voor Kling; Klinghe; Clingius; Klen; Van Klen; Klencke; Van Klencke; Klinke; Van Klinke; Klinken;  Van Klinken soms geschreven met c,ck,k en soms gh of q. Het exacte antwoord op deze naam is nog steeds niet gevonden.

 

Klingen

Een oude Groninger/Oostfriese geslachtsnamen Klinge Clingius kunnen hiermee verband houden. In 1788 wordt onder de Heemhuren van de Pekela’s een zekere Jan Willems Klinges weduwe genoemd (overl 1793) maar van wie geen kinderen zijn gevonden.

Geert Klincema trouwt in Hoogezand in 1672 met zijn nicht Luddertien Klincken mogelijk houd deze naam verband met de Oud friese naam Klinke.

In juni 1738 komt een weduwe Agneta Bouwina van Klenk met attestatie naar Veendam, naar dezelfde kerk waartoe later ook Goukje Hanssens behoort. De genealogie van deze Agneta is in detail vervolgd naar Groningen stad, Amsterdam en Duitsland door Joh van Klenkock in Klinken(geb.1934) maar zonder enig Goukje-Ebel-Klaas verband.

In de stad Groningen woonden voorts Dina van Klinken (1710-1762) en haar zuster Maria Elisabeth van Klinken.

In 1829 huwt in Onstwedde Frederik Hendrik Klenke alwaar de naam Klenk(e) ook nu nog redelijk frequent voorkomt en mogelijk terug voert tot een de 15e Eeuw. (klein) Kinderen van deze Frederik vinden we als molenaar, bakker, arbeider terug in de Gemeenten Onstwedde, Vlagtwedde en Odoorn. Zijn stamreeks biedt evenmin aanknopingspunten, behalve dat hij op dezelfde tijd en plaats (4-4-1829 gemeente Onstwedde) huwt als Ebels dochter Hillechien  Toevallig????

In Zuid-Drenthe ligt een havezate “De Klencke” aan de weg naar Sleen bij de plaats Oosterhesselen waarnaar voor het eerst in 1842 naar verwezen is het is een omgracht landhuis uit de 18e Eeuw het landgoed is 250-ha.

Enkele kilometers westelijker lag in de Middeleeuwen een motte die nu nog als de “Klingenberg”of het “Klenkenbargie” in het landschap zichtbaar is. Hiermee verwante namen verschijnen in de 13e eeuw in Drenthe, in de 14e Eeuw in Groningen-stad en in de 16e Eeuw in de provincie. (Kanters en Woltersum)

Verder naar het zuiden ontmoeten we naamsgenoten in, zoals gezegd, Zeeland.

Daar verschijnen Klink, (Van) Klincken na 1673.

Tenslotte zijn er Klincken’s in het Gelderse achterhoek en in Limburg tussen 1470 en 1612.

Sommige van bovengenoemde varianten zullen eenzelfde oorsprong hebben, hoewel de verzamelde gegevens van de 13e–tot de 16e eeuw zich verliezen in losse fragmenten en incidentele stamreeksen.

Daaruit komen in de 16e eeuw familie netwerken tevoorschijn (landelijk en deels in Groningen) waarvan de verbindingslijnen echter ook nog nevelig blijven Maar toch: Wat in nevelen gehuld is, kan toch mateloos boeien.

Mocht er iemand zijn die hier nog aanvulling of misschien wel de oplossing kan vinden dan houd ik me aanbevolen.

 

1e Suggestie van iemand uit Gouda is: Men leefde toen op het veen wat inklonk vandaar de naam inklinken dus ik kom uit het gebied “van Klinken

 

 

 

Familienaam van Klinken voorkomend in het Aardrijkskundige woordenboek van A.J. v/d Aa.

 

In de Rooms Katholieke kerk van Doetinchem waren dertien Vikarijen gesticht één daarvan was de Heilige Apostel Thomas die had de opdracht dat er vier missen gehouden moesten worden. In 1516 werd bepaald dat er alle donderdagen een Hoogmis moest worden gehouden, naast de vier andere missen op andere dagen van de week. De eerste door Johan van Uden de tweede door Dideryk Telvetkes de derde die zaterdags gelezen moest worden door Elisabeth weduwe van Johannes van Klinken en de vierde kon naar welgevallen worden ingevuld.

Van Klinken komt als plaatsnaam niet voor. Wel Klinke geh. en hav. in het Dingspil. Zuiderveld Prov. Drenthe Klinkema voormalig burgerij in het westerkwartier prov. Groningen. Klinkenberg buurtschap in Neder Betuwe en voormalig buiten in Rijnland prov. Zuid Holland. Klinkenborg voormalig burgerij in Hunsingo prov. Groningen. Klinkerland in het land van Overvlakké. Klinkert in de meijerij van ’s Hertogenbosch.

 

Het voorgeslacht van Ebel en Klaas van Klinken.

Ebel en Klaas van Klinken zijn via hun vader diep geworteld in de geschiedenis van de Groninger veenkoloniën. Hun voorgeslacht past naadloos in de ontstane geschiedenis van het Stadskanaal, ook al vinden we in hun paternale afkomst niets omtrent van de naam van Klinken.

Van oorsprong is de familie van Klinken Nederlands Hervormd en ook gebleven; enkelen met een voorkeur tot de Gereformeerde Bond, anderen die zich aansloten bij de meer vrijzinnige richtingen en weer anderen die meegingen met de Afscheiding of met de latere Doleantie. Een enkele wordt Baptist of Rooms katholiek.

Ze nemen toe in aantal, de Klaas-tak nog meer dan de Ebel-tak, zodat we ons hier alleen al vanwege hun aantal moeten beperken tot het noemen van “naamgevers” in de voor-vorige eeuw. Dat legt dan helaas het accent bij mannen, waar vrouwen een minstens even grote plaats en aandacht verdienen. In sommige van hen hebben als weduwe alleen de zorg voor hun gezin op zich gekregen, zoals de genoemde Hillegien Jans en haar schoondochter. Grietje Barelds Mooibroek Hillegien en Grietje zijn twee vrouwen die, naar we mogen aannemen, lange jaren het centrum van hun familie vormden.


In overzicht de in deze stamboom voorkomende generaties.

Generatie I                 Klaas Hebelen (geb ca 1660) te Hoogezand.

Generatie II               Hebel Klasens (geb ca 1686) Oudman te Kylcompagnie.

Generatie III             Johannes Ebels (geb 1729) Schipper te Veendam huwt Goukje

                                    Hanssens.

Generatie IV              Ebel en Klaas van Klinken (geb resp. 1764 ca.1765) Nieuw Stadskanaal

Generatie V                van Klinken (geb ca. 1800) arbeiders, schippers, landbouwers

                                   Stadskanaal.

Generatie VI              van Klinken (geb ca.1835) glasblazers, landbouwers, te Horsten en

                                   Musselkanaal.

Generatie VII             van Klinken (geb ca. 1870) veenwerkers, landbouwers te Musselkanaal

                                   en Valthermond.

Generatie VIII                       van Klinken (geb rond 1900) veenwerkers, landbouwers Nieuw

                                    Weerdinge en Emmer-Compascuum.

 

 

 

Nazaten van Ebel en Klaas van Klinken.

De kinderen en kleinkinderen van Ebel en Klaas hebben de vervening en kolonisatie van en langs het Stadskanaal meegemaakt, met lief en leed en met opeenvolgende generaties die opgaan in alle lagen van een door immigratie snel toenemende bevolking. Anders dan vaak gedacht wordt, kan men in de 19e eeuw in de vervening meestal beter werken en verdienen dan elders in Nederland en Duitsland. Niet voor niets komt men in grote getale naar het welvarende Stadskanaal om zich aan te sluiten bij oudere generaties van werkers in het veen, bedenk wel dat het een betrekkelijk begrip was men verdiende in de zomer goed maar in de winter was er geen werk en teerde men in. Dat de gezondheids toestand er in die eeuw vaak beter zijn dan elders, blijkt objectief uit militaire keuring rapporten.(volgens proefschrift door Tassenaar Groningen 2000) Die rapporten tonen aan dat de lichamelijke conditie van recruten uit de veenkoloniën in het algemeen beter is dan elders in het land. De arbeidstoestanden verslechteren pas dramatisch wanneer in de eerste helft van de 20e eeuw de turf, als huisbrand gaandeweg door steenkool wordt vervangen en slecht verkoopbaar wordt.

                                                    Ter-Apelkanaal 2002


Deze stamboom geeft de nageslachten weer van onze voorvader Klaas Johannes van Klinken geb ca.1765 te Nieuw  Stadskanaal.

 

Wat zal een Groninger nooit doen.

Hij zal je nooit prijzen hooguit zegt hij “Naait slecht.

 

Wat zegt de buitenstaander van een Groninger.

Die is rustig, nuchter, kijkt de kat uit de boom, is eigenwijs tot op het bot en zit barstens vol droge humor.

 

De herkomst en betekenis van Nederlandse plaatsnamen toegespitst op die namen welke voorkomen in de stambomen. Uit het plaatsnamenboek door Gerald van Berkel en Kees Samplonius.

 

Anloo: (Dr) Bekend vanaf 1139 Anlon; 1169 in Anlo; Betekent: Bosje op hoge zandgrond.  

Assen: (Dr) Bekend vanaf 1200 Hassen; 1267-1268 Ascen; 1276 Assen; er kunnen diverse betekenissen aan worden gegeven t.w. Pacht, loon verschuldigd aan de bisschop van Utrecht of houthakker of verwantschap aan een boomnaam.

Barnflair: (Gr) Bekend vanaf 1586 Barnfledder Betekent: Laagveen wat brandstof leverde.

Bellingwolde (Gr) Bekend vanaf 1498 Bellingwolde; Betekend: Bij het woud van de fam.Bellinga.

Blijham: (Gr) Bekend vanaf 1517 tho Blijham, Betekent: Met blij (slijk) bedekt buitendijks land.

Bleiswijk: (ZH) Bekend vanaf 1396 Bleeswijc; 1494 Bleyswijck; Betekent: Naam van een 1242 uitgegeven ontginning door een persoon genaamd Blees mogelijk Blois.

Borger: (Dr) Bekend vanaf 1327 in Borghere omstreeks 1335 Borgere; 1381-1383 Borgheren; sommigen gaan uit van burg(w)ari is Burchtbewoners, maar van een burcht is niets bekend. Anderen meningen van burkehari is Berkenhoogte.

Borgercompagnie: (Gr) Bekend vanaf 1840 Borgerkompagnie; compagnie is een gebruikelijke naam voor in de Ommelanden gestichte veenkoloniën, genoemd naar de ontginners, de zgn. compagnons. Borgercompagnie is: burger-compagnie is dus gesticht door de Groningse burgers.

Buinen: (Dr) Bekend vanaf 1141 in Buun; 1550 Buenen; 1557 Bune; de oudste vorm kan ook Bunne bij Eelde zijn, buun, bune is: Gevlochten heg.

Buitenpost: (Fr) Bekend vanaf 1508 Buta post 1558 Buitenpost Betekent: Buiten of ten noorden van de post. (post, in deze een smalle loopplank over een sloot, kleine brug.)

Drouwen: (Dr) Bekend vanaf 1381 to Druwen hierin schuilt misschien de verouderde friese naam van een persoon Drouwe, Druwe.

Dordrecht: (ZH) Bekend vanaf 1100 Thuredrith, Thuredrit; 1151-1155 Thuredrecht; Samengesteld uit door en drecht vaarwater. De naam betekend dus doortocht nl. van de Merwede naar de rivier de Dubbel.

Dokkum: (Fr) Bekend vanaf 800 Dockinga; 822-842 Tochkingen; 1000 Doccinga, betekent: Dokke.

Emmen: (Dr) Bekend vanaf 1327; 1313 Emne; 1327 Empne;Emne gaat mogelijk terug naar emni(eban is vlak effen) in de betekenis “de vlakte van de Barge” (Noord en Zuid-Barge)

Enschede: (O) Bekend vanaf 1118 Aneschede; eind 1300 Enschede, Mogelijk betekent het: Een waterscheiding, een grens of heuvelrug.

Elsloo: (L) Bekend vanaf 1002 Elisa; 1111 Eleslo; 1122 Elslo en betekent: Elsenbos

Exloo: (Dr) Bekend vanaf 1376 Exle vermoedelijk uit êkeslô betekend eikenbos.(Exloërmond etc. is daar een afgeleide van).

Epe: (G) Bekend vanaf 1176 Ape, Eep; een afleiding van Apa. Betekent: Land aan een rivier.

Eesveen: (D) Bekend vanaf 1300 Ees; duidt op de friese zandgronden. Betekent: Veen aan de zandgronden.

Finsterwolde (Gr) Bekend vanaf 1475 Ast en Vynsterwoldt, Betekent bij het noordelijk gelegen woud.

Foxhol: (Gr) Bekend vanaf 1495 Voshol; 1615 Foxhol; Men vermoedt dat het de naam kreeg naar het voorbeeld van het nabijgelegen Foxham. Het betekend: Vossehol.

Gasselte: (Dr) Bekend vanaf 1302 Gesholte; 1359 Gasselte, het is niet zeker of Gesholte een oude vorm voor Gasselte is. Indien wél, dan betekend Gasselte: Onvruchtbaar bos.

Gees: Waarschijnlijk dezelfde betekenis als Gasselte.

Geleen: (L) Bekend vanaf 1148 Glene oorspronkelijk een waternaam met de betekenis van: Schoon, glanzend.

Groningen: Bekend vanaf 1040 Groninga,Groninge; en op een munt uit 1024-1054 GRONNIGGEA; midden 12e Eeuw Gruningen. Het betekent: Bewoners aan de groene beek of weide.

Haren: (Gr) Bekend vanaf 1323 Haren; Betekent: Bij zandige heuvelruggen.

Hebrecht (Gr) Bekend vanaf 1867 Het Hebrecht, De naam herinnert aan de twisten over het bezit van deze streek tussen Munster en Groningen.Stamt dus uit Hebbe-recht = twistzoeker of egoïst.

Hengelo: (O) Bekend vanaf 1385 Hengeler Goer; Betekent: Bosjes op de helling of omheining.

Heino: (O) Bekend vanaf 1245 Heyna; 1383 kerspel van der Heine; 1649 der Heino; Betekend: Mogelijk “afscheiding”

Horsten: (Gr) Bekend vanaf 1844 De Horsten, Betekent: Met struikgewas begroeide hoogte.

Hoogeveen: (Dr) Bekend vanaf 1795 Hoge-Veen ca.1625 gesticht door Roelof van Echten voor de ontginning van de “hoge venen”

Hoogezand: (Gr) Bekend vanaf 1613-1618 hooge sant Betekent: Zandige hoogte, waar in 1621 de eerste huizen gebouwd werden ter ontginning van het veen.

Jipsinghuizen: (Gr) Bekend vanaf 1634 Jipsinghuijsen; Betekent: Nederzetting door de persoon “Jipsing”

Kiel-Windeweer: (Gr) Bekend vanaf 1845 De Kijl; Beide dorpen zijn als veenkoloniale streekdorpen (ontstaan omstreeks 1647) naar elkaar toegegroeid. Kiel =wig kiels=schuin toelopend. Is ontstaan door de ligging aan het Kieldiep, dat daar een stompe hoek maakt. Windeweer is een afgeleide van een zeer aanzienlijke en ruime herberg bij Garrelsweer (wee r = waterkering en winde = wenden) in dit geval aan het Damserdiep.

Klazienaveen: (Dr) Bekend vanaf 1899 Klazienaveen Vernoemd naar Klaziena, vrouw van de industrieel W.A.Scholtens. (1819-1892)

Klijndijk: (Dr) Bekend vanaf 1854 Is genoemd naar de vervener Klijn, die tevens het in 1854 gestichte Schoonoord aldus doopte.

Kropswolde: (Gr) Bekend vanaf 1249 Crepeswalder; 1291 Crepeswolda; 1600 Krobswolder; men neemt aan dat de betekenis is: Woud.  

Lula: (Gr) Bekend vanaf 1706 in den Lula, Vindt zijn oorsprong in de persoonsnaam: “Die van Luul”.

Meppel: (Dr) Bekend vanaf 1141; 1247 en 1325 Meppele 1298-1304 Mappele  1368 Mepplo men heeft getracht verwantschap te zien met het Engels dan zou het iets van “bos”zijn doch dit is niet zeker.

Midwolda: (Gr) Bekend vanaf 1558 Midwolder; Betekent: Het in het midden gelegen woud.

Mussel: (Gr) Bekend vanaf 1634 toen werd gesproken over het Mussel Brouck Mussel heeft de betekenis van: Moerassig land. (Musselkanaal is daar een afgeleide van)

Nieuwe Compagnie: (Gr) Bekend vanaf 1647 Veenkolonie aangelegd door de “Nieuwe Friese Compagnie”.

Odoorn: (Dr) Bekend vanaf 1393 in Oderen;1393 Odern; 1601 Oderen; vóór 1883 was de uitspraak nog geregeld Oreng, zodat mag worden verondersteld dat de betekenis is: De lieden van de persoon: Odheri.

Oldenhave: (Dr) Bekend vanaf 1375 Oeldenhoev; Betekent: Het oude hof.

Oldenzaal: (O) Bekend vanaf  893 Aldenselen; 1049 Aldensele; 1119 Aldeselensis; 1139 Oldezeel; Betekend: Oude zaal. (uit één ruimte bestaand huis.)

Onstwedde: (Gr) Bekend vanaf 900 Unesuuido; 1316 Unswedde; 1545 Onstwedde; Betekent: Bos.

Rotterdam: (ZH) Bekend vanaf 1299 van Rotterdamme; 1396 Rotterdam; Betekent: Bewoners achter de dam van de rivier de Rotte.

Scheemda: (Gr) Bekend vanaf 1435 vander Schemede, Betekend: Bij de vlonders.

Sappermeer: (Gr) Bekend vanaf 1618 Er was oorspronkelijk een meer met die naam sappe of sape dit heeft men verbonden aan: Veld of heide.

Sellingen: (Gr) Bekend vanaf 1150 Sallinge, 1316 Zellynge, De plaatsnaam is vernoemd naar de persoon “Selle

Sittard: (L) Bekend vanaf 1119 Siter; 1150 Sithert; Sîter Betekent: Bergflank.

Schoonebeek: (Dr) Bekend vanaf 1341 Sconebeke Betekend: Schone, heldere (niet met waterplanten dichtgegroeide) beek.

Sleen: (Dr) Bekend vanaf 1100 Slene; 1335 Sclen; 1338 Slen; 1342 Sleen, Mogelijk een afgeleide van “een kleine pruim”.

Smeerling: (Gr) Bekend vanaf 1634 Smierling; Oorspronkelijk een geslachtsnaam. Mogelijk een afgeleide van Smeerling, hetgeen betekend: Riviergrondel.

Stadskanaal: (Gr) Bekend vanaf 1765 in dat jaar werd door de stad Groningen met de bouw van het kanaal, waarlangs Stadskanaal ligt, begonnen. De eerste huizen werden gebouwd in 1787.

Steenwijk: (O) Bekend vanaf 1141 Steenwijc; Betekent: Vestigingsplaats.

Ter-Apel: (Gr) Bekend vanaf 1464 de Stede Apel; 1517 tho Apell; 1595 ther Aepell; 1602 Draepel; sommigen zien hierin een samenstelling van á waterloop en pôl poel.

Vaassen: (G) Bekend vanaf 800 Fasna; 1118-1127 Vanon; 1176 Fassen; 1188 Vasen; Betekend: Een soort ruw gras.

Valthe: (Dr) Bekend vanaf 1217 in Valten 1298-1304 Valte of Volthe is omheinde ruimte of erf. Een afgeleide hiervan is Valthermond (mond is kanaal)

Vlagtwedde: (Gr) Bekend vanaf 1316 Flachtwilde; een samenstelling van flacht wat doorstrengeld is, widu hout, struikgewas.

Veendam: (Gr) Bekend vanaf 1655 Veendam dam in het veen aangelegd. In 1648 gesticht door Adriaan Geerts Wildervanck (Zie ook Wildervank)

Veenhuizen: (Gr) Bekend vanaf 1634 Veenhuysen, Betekent: woonplaats in het veen.

Weerdinge: (Dr) Bekend vanaf 1327 Weerdighen 1362 Waerdingh; 1519 Weerdinge, betekenis: Genoemd naar de lieden van: Wardo (Weard) (een afgeleide hiervan is: Nieuw-Weerdine)

Winschoten: (Gr) Bekend vanaf 1391in 1435 van Wynschote is ontstaan uit Winders-kote “kleine hoeve”is hier een afgeleide van.

Wildervank: (Gr) Bekend vanaf 1649 de Wildervanck in 1647 verkregen door Adriaan Geerts Paep, die zich later zelf vernoemde naar de veldnaam Wildervanck is de in bezit genomen heide.(Zie ook Veendam)

Winneweer: (Gr) Bekend vanaf 1867 Windeweer oorspronkelijke naam van een zeer aanzienlijke en ruime herberg bij Garrelsweer. Betekenis van weer is waterkering/dijk (aan het Damsterdiep) De dijk maakt daar ter plekke een bocht, zodat men voor Winde mag denken wenden of keren.

Zuidhorn: (Fr,Gr) Bekend vanaf 1338 Huren De oude vorm geld voor de Groningse plaats en betekend: Zuidhoek. In het fries is het bekend als Súdhoarne.

Zuidlaren: (Dr) Bekend vanaf 1160 Suethlare,betekent: Bij de bosweiden.

Zwartemeer: (Dr) Bekend vanaf 1899 Zwartemeer bij Emmen, genoemd naar een veenmeer Zwart wijst op de kleur van het water.

Zwijndrecht: (ZH) Bekend vanaf 1006 Svindrecht;1639 Swyndrecht;samengesteld uit germ. Swina kreek en – drecht tocht dus: “Doortocht via een kreek”.

 

Het familie wapen.

Bij het Centraal Bureau voor Genealogie zijn geen familiewapens bekend.

Hetgeen nog niet wil zeggen dat deze er ook niet zijn.

Personen die op een belangrijke post zaten konden het zich financieel veroorloven om een familie wapen te laten maken waarin ze zelf aangaven wat hun waardes van kleuren en figuren betekenden, wat voortvloeide uit: Wat is mijn beroep. Wat is mijn woonplaats. Wat is mijn vaders naam. Wat zijn mijn karakter trekken.

Dit probeer ik uit te zoeken maar hulp daarin is natuurlijk welkom.

 

 

 

 

 

De Gereformeerden 

Even in het kort iets over het prille begin van de huidige Gereformeerde kerk in ons land. Daarvoor gaan we ongeveer 200-jaar terug in de tijd. Na de franse overheersing (tot 1813) ontstond er onder een groot deel van de bevolking een soort gevoel van “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap”. Dit was komen overwaaien uit Frankrijk. In november 1813 werd Willem I koning van Noord en Zuid Nederland. In 1816 ontstond onder zijn bewind het “Reglement voor de Nederlandse Hervormde Kerk” Vooral in Zuidelijk Nederland rezen hier bezwaren tegen. Dit liep zo hoog op, dat in 1830 een opstand uitbrak wat in 1839 leidde tot een breuk tussen Noord en Zuid Nederland, hierdoor ontstond België. Ook in de noordelijke Nederlanden (het huidige Nederland) werd een groep mensen, die de nieuwe kerkelijke ontwikkelingen met zorg gadesloeg, alsmaar groter. Zij hielden vast aan wat meer conservatievere gedachten, “het erfdeel der Vaderen” Er ontstond in ons land twee stromingen: de Vrijzinnigen en de Rechtzinnigen. De Rechtzinnigen hielden vast aan “de oude leer” De Vrijzinnigen geloofden meer in een nieuwere manier van geloven. In een relatie met God in de praktijk van het dagelijks bestaan. De Rechtzinnigen  kregen geen ruimte voor hun opvattingen, hierdoor ontstond een breuk in de Hervormde Kerk. De afscheiding “begon officieel” in Ulrum waar Hendrik de Cock predikant was. Afgescheidenen (de Rechtzinnigen) in Ulrum brachten op 13-oktober 1834 de akte van afscheiding uit. Het houden van Godsdienstoefeningen was voor afgescheidenen echter (officieel) verboden. Ook de naam Gereformeerd Kerk mocht aanvankelijk niet gevoerd worden. Na veel druk uit het gehele land veranderde dat 1869 en mocht de naam Christelijke Gereformeerde Kerk gebruikt worden door de Afgescheidenen. Ook in het noorden ontstonden in de eerste helft van de negentiende eeuw Afgescheidenen. Eerst in de woning van een lidmaat en later in een heuse kerk die was betaald door de lidmaten. Tot zover de afscheiding van 1834.

 

Voor meer informatie leest men het boekje: “De Afscheiding van 1835 in Groningerland” Deel 2 door Ds.Wesseling. Uitgeverij de Vuurbaak in Groningen.

 

Uitvoerige informatie van de geschiedenis van Gereformeerd Kerk in Stadskanaal van 1835 tot 1940 wordt beschreven in het boekje “Kijk op een Kerk”door W.H. van der Ploeg. Uitgegeven door het Kerkelijk bureau Poststraat 31 Stadskanaal.

 

Een interessant boekje met als titel is ook: “De Gereformeerden” door Agnes Amelink.

Het geeft een beknopt ontstaan van de Gereformeerde kerk. Geschetst als een woelige ontwikkeling in de 19e Eeuw. ISBN No.90-351-2261-5

 

Uitgave.

Er is een stamboomboekje met de nieuwste gegevens erin.

  

 

Samensteller

Klaas Ketelaar C.Evertsenstraat 126 3317 XJ Dordrecht Tel 078 – 6186024

E-mail : k.ketelaar@upcmail.nl

 

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller van deze stamboom.